Webcontent weergeven

  1. Hoe zijn de verontreinigingen ontstaan?
  2. Hoe gevaarlijk zijn de verontreinigde locaties?
  3. Wat zijn de uitgangspunten van het bodemsaneringsbeleid?
  4. Wat is mobiele verontreiniging?
  5. Wat is de procesbeschrijving?
  6. Wat is immobiele verontreiniging?
  7. Wat is functiegericht saneren?
  8. Moet bij een sanering alle verontreiniging direct worden gesaneerd?
  9. Welke saneringsmethoden zijn er?
  10. Wat houdt nazorg in?
  11. Wat is het Kennisplatform nazorg?
  12. Is een burger verplicht om te saneren?
  13. Wat moeten bedrijven doen om bodemverontreiniging te voorkomen?
  14. Kunnen ondernemers zich verzekeren tegen bodemverontreiniging?
  15. Moet een gemeente bij bodemvervuiling bewoners informeren?

 



  1. Verontreinigingen zijn vooral veroorzaakt door onzorgvuldige omgang met stoffen en het domweg - legaal of illegaal - dumpen van afval. Voorbeelden zijn er te over en van (bijna) alle tijden. Zo staan huizen in oude steden niet zelden op een metershoge 'stadslaag', een laag die gevormd is door het eeuwenlang dumpen van stadsafval. In die laag ligt huisvuil en bouwresten van huizen, maar ook afval van kleine vervuilende industrieën als leerlooierijen en verffabriekjes. De grond rond voormalige gasfabrieken is vaak ernstig vervuild. Die fabrieken lagen veelal buiten oude stadskernen op locaties die tegenwoordig in trek zijn voor woningbouw of recreatie. In de jaren '70 van de vorige eeuw zijn soms hele woonwijken bouwrijp gemaakt met verontreinigd baggerslib. Er zijn vuilnisbelten waar tot de jaren '80 op grote schaal giftige en soms zelfs radioactieve stoffen illegaal zijn gedumpt. Rond benzinestations en ondergrondse olietanks uit die periode komt vaak kleine bodemvervuiling voor.
    Ook in het landelijk gebied komen veel situaties voor waar de bodem bewust of onbewust vervuild is: een ongeluk met een vrachtwagen of trein met chemicaliën, een pomphouder die olie morst, illegale stortingen van giftige stoffen, een fotolab dat ontwikkelaar door de gootsteen giet of een fabrikant die verontreinigd water of slib in een rivier loost. Bodemvervuiling ontstaat soms ook door lekkende, ondergrondse tanks. Op talloze manieren kunnen chemische stoffen, oliën en andere milieugevaarlijke materialen als zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in het milieu komen.

  2. De meest gevaarlijke, ofwel meest ernstige en spoedeisende, verontreinigingen zijn de afgelopen decennia gesaneerd. Voorbeelden hiervan zijn Lekkerkerk-West, Kralingen in Rotterdam, Griftpark in Utrecht, Coupé Polder in Alphen aan den Rijn en Steendijkpolder in Maassluis. Op dit moment zijn de verontreiniging met 'humane urgentie' het meest ernstig. Dit zijn locaties waarbij de mens in contact zou kunnen komen met de verontreiniging en daardoor gevaar loopt. Een voorbeeld is een locatie met een loodverontreiniging waar kinderen kunnen spelen. Door de neiging van sommige kinderen om grond te eten, kunnen zij gevaar lopen.
    Met het landsdekkend beeld is nu bekend waar verontreinigingen zitten. Daardoor neemt de kans op onverwacht contact af. Hoe gevaarlijk een verontreinigde locatie nu is voor gezondheid en milieu zou per locatie bekeken moeten worden.

  3. Het overheidsbeleid voor bodemsanering is gebaseerd op de doelstelling uit het derde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP3) om 'alle ernstige gevallen van bodemverontreiniging gesaneerd dan wel beheerst te hebben ultimo 2022'. Ook staat in het NMP3 dat alle bodemverontreiniging in 2005 in kaart moet zijn gebracht. Dit wordt wel het landsdekkend beeld bodemverontreiniging genoemd. In het NMP4 staat geen nieuw beleid voor de bodem of bodemsanering. De uitgangspunten uit het NMP3 gelden derhalve nog steeds, al wordt nu uitgegaan van 2030.Het beheersbaar zijn van de bodemverontreiniging betekent dat de bodem voor die tijd geschikt moet worden gemaakt voor het gebruik dat maatschappelijk wordt gewenst.. Daarnaast moet verspreiding van verontreinigingen worden voorkomen.
    In het saneringsbeleid gelden saneringsdoelstellingen voor mobiele en immobiele verontreiniging. Het vernieuwde beleid moet nog worden vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb). VROM werkt aan aanpassing van de Wbb. VROM werkt ook aan een eenvoudige procedures voor gelijksoortige en kortlopende saneringen. De regels hiervoor komen in het Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Regeling uniforme saneringen (RUS) die naar verwachting eind 2005 in werking treden (zie dossier Bodemverontreiniging).
    Begin maart 2005 meldde de Algemene Rekenkamer (ARK) in haar rapport Voortgang bodemsanering dat VROM onvoldoende grip heeft op de bodemsaneringsoperatie. Daardoor is onduidelijk welke verontreinigingen tegen welke kosten worden gesaneerd, of de saneringen naar behoren worden uitgevoerd en of de bodemsaneringsoperatie in 2030 zijn afgerond. In een brief aan de Tweede Kamer van 7 april 2005 is als reactie op de kritiek van de ARK het bodemsaneringsbeleid uiteengezet.
  4. Mobiele verontreiniging is verontreiniging die zich verder verspreidt in bodem of grondwater. Bij mobiele verontreiniging moet worden gestreefd naar zo laag mogelijke restconcentratie en volume. De overheid streeft naar het volledig opruimen van deze verontreinigingen. Dat is echter lang niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld als de bron van de verontreiniging te diep zit of onder bebouwing, of wanneer de schade of kosten van de sanering niet opwegen tegen de milieueffecten van verwijdering van de verontreiniging.
    Het rapport Doorstart A5 beschrijft hoe bij mobiele verontreiniging de verontreiniging van grond en grondwater kan worden aangepakt. Ook bevat het een stappenplan (beter bekend als procesbeschrijving) voor de aanpak van mobiele verontreiniging.

  5. Het rapport Doorstart A5 geeft een zogenaamde procesbeschrijving voor het omgaan met mobiele verontreiniging in de ondergrond. Deze beschrijving geeft een handvat om verschillende saneringsvarianten af te wegen en op basis daarvan een variant te kiezen. Met behulp van de procesbeschrijving kan de verontreiniging van grond en grondwater tot een minimum worden beperkt.
    Op een terrein waar de verontreiniging in de ondergrond sijpelt, moet er alles aan worden gedaan om de gehele verontreiniging op te ruimen. Wie van dat principe wil afwijken, bijvoorbeeld omdat de kosten in verhouding te hoog zijn, moet dit motiveren aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is de overheidsinstelling die het saneringsplan moet goedkeuren.
  6. Immobiele verontreiniging is verontreiniging die zich niet verder in bodem of grondwater verspreidt. Op locaties waar de verontreiniging zich niet in de ondergrond verspreidt, mag functiegericht worden gesaneerd. Bij immobiele verontreiniging worden vier functies onderscheiden: wonen, extensief groen (groen waarmee geen intensief contact wordt gemaakt zoals wegbermen en plantenbakken in kantoortuinen), verharding (stoeptegels en bijvoorbeeld asfalt. Hierbij is geen contact met de bodem mogelijk) en landbouw en natuur. Voor de eerste twee functies gelden landelijke bodemgebruikswaarden (BGW). Deze waarden geven aan wat de kwaliteit van de bodem na sanering moet zijn. De BGW's staan in het rapport Van trechter naar Zeef. De BGW's staan ook in de Regeling locatiespecifieke omstandigheden. Voor de derde functie (verharding) gelden geen waarden. Voor de vierde functie (landbouw en natuur) zijn generieke BGW's in ontwikkeling.

  7. Functiegericht saneren is alleen toegestaan bij immobiele verontreinigingen. Sinds het kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering (KS 2002) is functiegericht saneren de norm. Het houdt in dat verontreinigde grond zodanig worden gereinigd als voor de toekomstige functie nodig is. Zo hoeft de bodem onder een parkeerterrein of kantoorgebouw minder schoon te zijn dan grond onder een stadspark of sportveld. Functiegericht saneren is 35 tot 50% goedkoper dan multifunctioneel saneren. Mede daarom is in het nieuwe bodemsaneringsbeleid geen plaats meer voor multifunctioneel saneren.

  8. Nee, onder 17 en 19 is beschreven in hoeverre verontreiniging verwijderd moet worden. Het is wel de bedoeling dat de maatregelen het hele geval van verontreiniging betreffen.

  9. Er zijn veel verschillende methoden van sanering. Zo kan de verontreinigde grond worden afgegraven of bijvoorbeeld ter plekke worden gereinigd. Verwijderen is het meest ingrijpend. In het nieuwe beleid is meer ruimte voor het ter plaatse reinigen van verontreinigde grond. Daarvoor worden zogenoemde in-situ reinigingstechnieken gebruikt. De bodem wordt dan doorgespoeld met water of er worden bacteriën ingebracht die bijvoorbeeld olie kunnen afbreken.
    Ook kan de vervuilde grond van een laag schone grond van circa 1 meter worden voorzien. Daarvoor wordt eerst een laag afgegraven en vervolgens schone grond opgebracht. Dit wordt leeflaagsanering genoemd. Bij de leeflaagsanering wordt tegemoet gekomen aan de wens om ondanks de verontreiniging toch te kunnen tuinieren en bijvoorbeeld kinderen te laten spelen. Onder de laag schone grond zit een signaleringslaag waardoor niet dieper kan worden gegraven. Leeflaagsanering is dé saneringsmethode voor immobiele verontreiniging.
  10. Bij sanering van bodemverontreiniging hoeft niet langer alle verontreiniging te worden verwijderd. Dat is het gevolg van de nieuwe saneringsdoelstelling, gericht op functiegericht en kosteneffectief saneren. Als er verontreiningen achter blijven is nazorg nodig. De vervuilende bodem moet dan 'blijvend worden beheerd'. Nazorg is vooral nodig bij mobiele verontreininging, verontreiniging die zich verder kan verspreiden.
    Nazorg houdt in dat er regelmatig moet worden gemeten of de verontreiniging zich verplaatst en of folies, damwanden en drainage moeten worden vervangen. De maatregelen hiervoor moeten zijn beschreven in een nazorgplan. Het nazorgplan moet bij het Kadaster worden geregistreerd zodat iedereen kan nagaan dat op een bepaalde loactie nazorg verplicht is. Zolang de verontreiniging in de bodem een risico vormt, moet die worden beheerst, beheerd en gecontroleerd.
    Voor informatie over verontreinigingen die blijvend moeten worden beheerd, kunt u terecht bij de provincie of gemeente. De bevoegde overheid beschikt over rapporten en het nazorgplan van de betreffende locaties.
  11. Dat is een initiatief van de provincies en VROM om informatie uit te wisselen over nazorg. Het platform is op 16 mei 2006 gestart. Het platform wil de nazorg verbeteren en informatie uitwisselen over de financiele, organisatorische, juridische en technische kanten van nazorg. Meer informatie over het kennisplatform vindt u op de site van SenterNovem, een uitvoeringsorganisatie van de overheid: http://www.senternovem.nl/Bodemplus/bodemsanering/nazorg/index.asp.

  12. De overheid kan een burger niet zomaar verplichten een verontreinigde bodem te saneren. Dat kan alleen als het bevoegd gezag (een gemeente of de provincie) heeft vastgesteld dat de bodem ernstig is verontreinigd én urgent moet worden gesaneerd. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij tevens het uiterlijke tijdstip van de sanering. Een burger kan niet tot sanering worden verplicht als hij kan aantonen niet betrokken te zijn geweest bij de oorzaak van de verontreiniging of bij aankoop van het terrein niet wist en niet kon weten dat de bodem was verontreinigd. In de praktijk verplicht de overheid burgers die in het verleden verontreinigde grond hebben gekocht niet snel tot sanering.
    Het bevoegd gezag voor saneringen is de provincie of één van de zogenaamde grote gemeenten (zie overzicht bevoegdgezag gemeente).

  13. Bedrijven hebben over het algemeen een milieuvergunning nodig. In die vergunning, die is voorgeschreven op grond van de Wet milieubeheer, staan ook voorschriften voor de bescherming van de bodem. In de milieuvergunning staat bijvoorbeeld dat ondernemers die grond- of afvalstoffen opslaan vloeistofdichte vloeren, opslagvoorzieningen voor spoelbaden en bijvoorbeeld tegen overbelasting beveiligde opslagtanks moeten hebben. Bij risicovolle locaties moeten zij peilbuizen plaatsen. Ook moeten ondernemers ondergrondse en bovengrondse leidingen regelmatig controleren op lekken. Deze voorschriften uit de milieuvergunning zijn gebaseerd op de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). Meer info over de NRB op de website van InfoMil (zie Meer info).
  14. Ja. Sinds 1998 bestaat de milieuschadeverzekering. Hieronder valt schade ontstaan door water- en bodemverontreiniging aan zowel het terrein van derden als aan het eigen gebied. Deze verzekering dekt alleen toekomstige schade. Let op: ook bedrijven die zich houden aan de milieuvergunning, kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de verontreiniging die ze veroorzaken.
  15. Ja. De Wet bodembescherming verplicht gemeenten om gevallen van ernstige bodemverontreiniging aan de provincie op te geven, en de eigenaar hiervan op de hoogte te stellen. Bij een vermoeden van vervuiling moet de gemeente zich op de hoogte stellen van de ernst van de verontreiniging en belanghebbenden hierover informeren. Bewoners kunnen een gemeente privaatrechtelijke aanspreken als ze denken schade te ondervinden doordat informatie over bodemvervuiling onder hun woning wordt achtergehouden.

Bron: www.vrom.nl/pagina.html